Zeilkampioen bouwt kampioensschepen.

Zeilkampioen bouwt kampioensschepen

Zeilkampioen bouwt kampioensschepen

Zestienkwadraten, pampussen, jollen, flitsen, valkjes, spankers. Het staat er vol mee in de loods van Jachtbouw De Groot in Foxhol.

door Jean-Paul Taffijn  

Het is zomer, er wordt veel gezeild, dus er gaat ook wel eens iets mis. Het zijn bijna allemaal schadegevallen. Jeroen de Groot herstelt nu aan de lopende band. In de wintermaanden bouwt hij volledige zeilschepen. ,,Pff, ik denk dat ik al zeker wel 70, 80 schepen heb gerepareerd. Soms is dat in een dag gepiept, soms duurt het een paar weken. En het komt ook voor dat ik tot ’s avonds laat doorwerk om een haastklus af te krijgen. Laatst nog, tijdens de Sneekweek. Reed ik na de wedstrijden terug om snel een nieuw onderdeel voor een boot te maken die de volgende ochtend weer van start moest in de wedstrijd. Dat hoort er ook bij.’’ Die wedstrijden. Daar is Jeroen de Groot een bekende. Iedereen met schade klampt bij hem aan. Zelf doet hij nog volop mee aan de competities. ,,Ja, ik heb deze Sneekweek nog gewonnen in de Pampusklasse.

Toevallig niet eentje die ik zelf gebouwd heb, maar een mooi exemplaar uit 1934.’’ Verschillende noordelijke en Nederlandse Kampioenschappen staan op zijn palmares, niet zelden behaald in eigen schepen. De schepen die De Groot bouwt, een handvol per jaar, vallen sowieso geregeld in de prijzen tijdens allerlei kampioenschappen. ,,Bij de twaalfkwadraats jollen eindigden boten van mijn hand de laatste drie jaar elke keer op plekken één en twee. Ja, dat is natuurlijk geweldig. Goed voor mijn reputatie.’’ Zo’n driekwart van de schepen die hij onder handen heeft, zeilen mee in competities. Geen ingewikkelde machines, geen robots, geen lopende band. De Groot bouwt de boten in wezen op de manier waarop dat een eeuw geleden ook gebeurde. Met een schuurmachine weliswaar, een frees- en een zaagmachine. Maar dat is het zo’n beetje. ,,Dit is een uitstervend ambacht. Steeds meer boten worden van kunststof gemaakt.

Dat is niks voor mij. Ik doe wel eens een houten inbouw in een kunststof schip, maar verder blijf ik van dat materiaal af.’’ De Groot werkt gemiddeld 300 uur aan het maken van een zeilschip. Met mahoniehout meestal, eik of teak. Dit betekent schuren, schuren en nog eens schuren. Planken exact op maat zagen en buigen en niet te vergeten spijkertjes slaan. ,,In een zestienkwadraat zitten 6600 spijkers. Allemaal in door mij voorgeboorde gaatjes.’’ Vóór de financiële crisis deze bedrijfstak zwaar trof, had De Groot een medewerker in vaste dienst. ,,We werkten toen wat fabrieksmatiger, om meer schepen te kunnen opleveren. Dan bouwden we er een paar tegelijk. Eerst alle planken zagen, dan hele dagen alleen maar gaatjes boren. Dat ging heel mooi, maar één voor één bouwen is wel leuker.’’

De crisis is nog niet helemaal voorbij, hoewel de tekenen weer gunstiger worden. ,,Nieuwe boten werden amper meer besteld, onderhoud werd uitgesteld. Goede tweedehands schepen gingen voor relatief weinig de markt op. Die zijn er nu nog steeds. Pas als die verkocht zijn, gaan mensen weer nieuwe schepen bestellen. En dan komen ook de dure, volledige renovaties van oude schepen wel weer. Gelukkig heb ik al bestellingen hoor.’’ Er zijn niet veel mensen meer, die het vak zo goed verstaan als Jeroen de Groot. Dat hij zo in de zeilwereld terecht zou komen, stond in de sterren geschreven. Zijn ouderlijk huis is Meerzicht aan het Zuidlaardermeer. ,,Op mijn tiende repareerde ik al rotte roeiboten. Op mijn zeventiende had ik mijn eerste flits gebouwd.’’ Na werkervaring opgedaan te hebben in Hoogezand, Bunne en Vollenhove, begon hij in 1995 voor zichzelf. ,,Nee, ik heb me nooit kunnen voorstellen dat ik ooit iets anders zou gaan doen.’’

Bron: Dagblad van het Noorden.

Geplaatst op: 31 augustus 2016