Trimschema O-jol

mooie_foto's_o-jollen_-_66
Trimschema Jan ten Hoeve

Stand mast:
(a = afstand steven tot de mast)
Stand mast gemeten vanuit voorsteven Mik-boten of overeenkomstige: 111 – 113 cm.
Juiste (mm) standen zijn mede afhankelijk van mast/tuig en romp/stuurman.
De zeiler moet dit zelf uitvinden door veel (proef) te varen t.w. wat is “neutraal” roergedrag.

Mast/tuig combinatie:
(b=mastbuiging in cm tov rechte lijn)
Gewenste kromming van mast is afhankelijk van de snit van het zeil en vice versa.
Nederlandse zeilen zijn met een kromming van 18 en 22 cm (b) gesneden.
Tuigen zijn boven veelal 15 graden flauwer gesneden, vandaar bij het doorzetten plooien onderin vanuit de mast.

Openen tuig:
Voorstag los.
Overloop naar binnen! (mast kan meer buigen)
(overloop alleen naar buiten in zeer extreme omstandigheden)
Cunninghamhole aan.
Zeillatten andersom.

Nadere verklaring overloop:
Als overloop naar buiten dan kan de mast niet recht naar achteren buigen, maar moet buigen over een zekere hoekverdraaiing, dus waar hij stijver is en/of een andere buigingshoek heeft. Denk aan de afstand top mast tot een achterlijkpunt op de giek (hoe meer naar buiten, hoe korter)
Dus: hoe boller het tuig, des te meer de overloop naar binnen gevaren moet worden.

Gewenste mastbuiging:
Kontrole verticale stand door de val als loodlijn te gebruiken (na vasttrimmen stagen) (c).
Stand van de top van de mast meten door het verschil in afstand tussen ongetrimde en aangetrokken stagen.
Hulplijntje (d) gebruiken met hierop afstanden van 38, 40, 42, 44 cm. De te hanteren afstand is afhankelijk van zeilmaker en type.

Maten (d):
Moritz tuigen: 44 cm.
Jama radiaal, Hagoort: 42 cm.
Jama radiale top: 40 cm.
Jama horizontaal, Hagoort vlak: 38 cm, (maat (a) naar 112 cm)

Aftrimmen stagen:
Kontrole op verticale stand mast c.q. valse zijbuiging door de val onderin bij de giek vast te zetten, aan te trekken en mast op zijwaartse buiging te controleren, eventueel herstellen door bakboordstag op te vieren en stuurboordstag an te halen of omgekeerd (cm kwestie).
Aftekening stagstanden: op schot (voorkant dubbelblok), op lijn (mits niet doorlopend systeem), of op de stag (boven dek).
Tips voor de “luie” zeiler:
Mast moet hoog buigen. Dit in verband met betere lozing bovendeel van het tuig (“wegwaaien”). De voortstuwende werking van het tuig ligt toch hoofdzakelik in het onderste gedeelte.

Zeiltrim, enige aanbevelingen en instructies:
(a) Achterlijk tot de zwarte band.
(b) Halshoek:
Naar voren (aan): bolling tuig naar boven,
nadeel: betekent meer hangen.
Naar achteren (lossen): bolling tuig naar achteren.
voordeel: loopt hoger.
(c) Cunninghamhole:
Naar beneden (aan): geeft drukverlies,
tuig wordt vlakker bovenin = noodmaatregel.
Overloop:
Bij bol tuig naar “binnen”.
Bij vlak tuig naar “buiten” (zie hierboven).
Dit alles t.o.v. de ideale stand, te weten giek achterkant plm. boven snijlijn met buitenzijde achterdek.

Schootspanning:
“Eerste” schootspanning:
tuig aan tot weerstand wordt ondervonden (op de wal vast te stellen).
“Tweede” schootspanning:
aanbevolen stand.
merkteken plaatsen 20 resp. 40 cm naar boven (giek) vanaf grondblok. (20 cm bij 2 blokken, 40 cm bij 3 blokken)
(e): 20 cm respectievelijk 40 cm.

Trim roer:
Voorzijde blad: zo dicht mogelijk naar daaipunt,
voordeel: minder weerstand bij sturing = remnivellering.
Trim zwaard:
Onderwaterdeel zo groot mogelijk (nat wateroppervlak), bij de meeste nieuwe boten reeds door bouwer voorzien.
Ophalen zwaard bij indewindse rakken bij (niet houdbare) sterke wind:
heeft geen voordeel,
geeft verlijering,
geeft verplaatsing gewichtspunt naar boven.
Alleen voor “werkende” zeiler die bijvoorbeeld onder het veld door wil varen, middels optimaal hangen, snelheidsontwikkeling en daardoor driftbeperking.

Enige losse opmerkingen zeiltrim:
Meer doek voorin (achterlijk los > naar mast) betekent voor de wind “meer rollen”.
Stand mastvoet onderin: verstelbaar mastspoor: mastbout dient zich 1 cm. achter het hart van de mast te bevinden.